Het werkwoordelijk gezegde is een belangrijk onderdeel van zinsontleding. Veel kinderen komen dit tegen in de bovenbouw van de basisschool, bijvoorbeeld bij taalopdrachten waarin ze zinsdelen moeten herkennen. Voor ouders kan het soms lastig zijn om precies uit te leggen wat het werkwoordelijk gezegde is, zeker als grammatica alweer een tijdje geleden is.
Gelukkig hoeft de uitleg niet ingewikkeld te zijn. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin die samen vertellen wat iemand doet of wat er gebeurt. Als je kind weet hoe je de persoonsvorm vindt en daarna naar de andere werkwoorden kijkt, wordt het herkennen van het werkwoordelijk gezegde al een stuk overzichtelijker.

Wat is een werkwoordelijk gezegde?
Een werkwoordelijk gezegde is het deel van de zin dat aangeeft wat iemand doet of wat er gebeurt. Het bestaat altijd uit een werkwoord, maar soms uit meerdere werkwoorden samen.
In de zin Lisa fietst naar school is fietst het werkwoordelijk gezegde. Het vertelt wat Lisa doet. In de zin Lisa heeft naar school gefietst is heeft gefietst het werkwoordelijk gezegde. Hier horen dus twee werkwoorden bij elkaar.
Voor kinderen is het handig om te onthouden dat het werkwoordelijk gezegde draait om een handeling of gebeurtenis. Het antwoord op de vraag “Wat doet iemand?” helpt vaak om het gezegde te vinden.
Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde in een zin?
Het werkwoordelijk gezegde vinden wordt makkelijker als je kind steeds dezelfde stappen volgt. Zo voorkom je dat het gokken wordt en leert je kind rustig nadenken over de zin.
Het belangrijkste is dat je kind eerst de persoonsvorm zoekt. Daarna kijkt het of er nog andere werkwoorden in de zin staan die bij de handeling horen.
Stap 1 Zoek eerst de persoonsvorm
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet. Ook kun je de zin vragend maken. Het werkwoord dat dan vooraan komt te staan, is meestal de persoonsvorm.
Bijvoorbeeld: De kinderen spelen buiten.
Maak je daar een vraag van, dan krijg je: Spelen de kinderen buiten? Het woord spelen is dus de persoonsvorm.
De persoonsvorm hoort altijd bij het werkwoordelijk gezegde. Maar let op: soms is de persoonsvorm niet het hele werkwoordelijk gezegde.
Stap 2 Zoek daarna de andere werkwoorden
Na de persoonsvorm kijkt je kind of er nog meer werkwoorden in de zin staan. Denk aan woorden zoals heeft, is, zal, kan, moet, gewerkt, gelezen of spelen.
Bijvoorbeeld: Tom heeft zijn huiswerk gemaakt.
De persoonsvorm is heeft. Het andere werkwoord is gemaakt. Samen vormen ze het werkwoordelijk gezegde: heeft gemaakt.
Dit is een veelvoorkomend punt waarop kinderen fouten maken. Ze schrijven dan alleen de persoonsvorm op, terwijl er nog een voltooid deelwoord of ander werkwoord bij hoort.
Stap 3 Controleer of alle werkwoorden bij de handeling horen
Als je kind alle werkwoorden heeft gevonden, controleert het of deze samen vertellen wat iemand doet of wat er gebeurt. De werkwoorden die bij die handeling horen, vormen samen het werkwoordelijk gezegde.
Bijvoorbeeld: Wij gaan morgen zwemmen.
De werkwoorden zijn gaan en zwemmen. Samen geven ze aan wat wij doen. Het werkwoordelijk gezegde is dus gaan zwemmen.
Door steeds deze drie stappen te volgen, leert je kind het werkwoordelijk gezegde herkennen zonder dat het te ingewikkeld wordt.

Voorbeelden van het werkwoordelijk gezegde
Voorbeelden helpen vaak beter dan alleen uitleg. Hieronder zie je hoe het werkwoordelijk gezegde in verschillende zinnen werkt.
De hond blaft hard.
Werkwoordelijk gezegde: blaft
Sanne leest een boek.
Werkwoordelijk gezegde: leest
De kinderen hebben buiten gespeeld.
Werkwoordelijk gezegde: hebben gespeeld
Milan zal morgen komen.
Werkwoordelijk gezegde: zal komen
Ik moet mijn kamer opruimen.
Werkwoordelijk gezegde: moet opruimen
De juf heeft de som uitgelegd.
Werkwoordelijk gezegde: heeft uitgelegd
Je ziet dat het werkwoordelijk gezegde uit één woord kan bestaan, maar ook uit meerdere woorden. Vooral bij zinnen met heeft, is, zal, moet of kan is het belangrijk dat je kind verder kijkt dan alleen de persoonsvorm.
Verschil tussen persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde
De persoonsvorm en het werkwoordelijk gezegde worden vaak door elkaar gehaald. Dat is begrijpelijk, want de persoonsvorm is altijd onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.
Toch zijn ze niet altijd hetzelfde. De persoonsvorm is één werkwoord. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die samen de handeling of gebeurtenis aangeven.
In de zin Noah loopt naar huis is loopt de persoonsvorm en ook het hele werkwoordelijk gezegde. In de zin Noah is naar huis gelopen is is de persoonsvorm, maar het werkwoordelijk gezegde is is gelopen.
Voor kinderen is dit een belangrijke stap bij zinsontleding. Ze moeten leren dat ze na het vinden van de persoonsvorm nog even verder moeten kijken.
Verschil tussen werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde
Naast het werkwoordelijk gezegde bestaat er ook een naamwoordelijk gezegde. Dit kan verwarrend zijn, maar het verschil is goed uit te leggen.
Een werkwoordelijk gezegde vertelt meestal wat iemand doet of wat er gebeurt. Bijvoorbeeld: Lieke bakt een taart. Het werkwoordelijk gezegde is bakt, want dat is de handeling.
Een naamwoordelijk gezegde zegt juist iets over wat iemand of iets is, wordt, blijft, lijkt of schijnt. Bijvoorbeeld: Lieke is vrolijk. Hier gaat het niet om een handeling, maar om hoe Lieke is.
Voor basisschoolkinderen is het vooral belangrijk dat ze eerst goed leren herkennen of er sprake is van een handeling. Als iemand iets doet, is de kans groot dat het om een werkwoordelijk gezegde gaat.

Veelgemaakte fouten bij het vinden van het werkwoordelijk gezegde
Veel kinderen vinden het werkwoordelijk gezegde in het begin lastig. Dat is normaal, want je kind moet meerdere stappen tegelijk kunnen toepassen.
Een veelgemaakte fout is dat kinderen alleen de persoonsvorm opschrijven. In een korte zin is dat soms goed, maar in langere zinnen horen er vaak meer werkwoorden bij.
Ook vergeten kinderen regelmatig een voltooid deelwoord. In de zin Ik heb mijn tas gepakt schrijven ze dan alleen heb op, terwijl het werkwoordelijk gezegde heb gepakt is.
Een andere fout ontstaat bij zinnen met een infinitief, zoals Wij willen buiten spelen. Het werkwoordelijk gezegde is dan willen spelen. Het woord spelen mag dus niet worden vergeten.
Gesplitste werkwoorden kunnen ook lastig zijn. In de zin Ik ruim mijn kamer op hoort op bij ruim. Bij zinsontleding kan dit extra aandacht vragen, omdat het werkwoord in delen in de zin staat.
Tot slot halen kinderen het werkwoordelijk gezegde soms door elkaar met het naamwoordelijk gezegde. Daarom helpt het om steeds te vragen: gaat het om iets doen, of gaat het om wat iemand is of wordt?
Werkwoordelijk gezegde oefenen met je kind
Thuis oefenen met het werkwoordelijk gezegde hoeft niet lang te duren. Korte oefenmomenten zijn vaak effectiever dan een lange sessie waarin je kind moe of gefrustreerd raakt.
Begin met eenvoudige zinnen. Laat je kind eerst de persoonsvorm zoeken en daarna controleren of er nog meer werkwoorden in de zin staan. Laat je kind hardop uitleggen waarom bepaalde woorden bij het werkwoordelijk gezegde horen.
Je kunt ook gewone zinnen uit het dagelijks leven gebruiken. Denk aan zinnen zoals Ik heb mijn brood opgegeten, Jij gaat straks lezen of We zullen morgen oefenen. Zo merkt je kind dat grammatica niet alleen iets uit een werkboek is, maar ook terugkomt in gewone taal.
Op oefenboeken.nl kunnen gratis werkbladen helpen om gericht te oefenen met taal en zinsontleding. Deze werkbladen zijn handig als je wilt zien of je kind het werkwoordelijk gezegde al herkent, of juist nog wat extra herhaling nodig heeft.
Download nu onze Gratis werkbladen taal & spelling
Meer dan 100.000 ouders oefenen al met ons materiaal en zagen hun kind groeien in zekerheid, tempo en resultaat. Vul hieronder je gegevens in en ontvang de oefenbladen direct als PDF in je mailbox.
Extra oefenen met oefenboeken voor taal en ontleden
Sommige kinderen begrijpen de uitleg snel, maar hebben meer oefening nodig om het zelfstandig toe te passen. Dat is heel normaal bij zinsontleding. Herhaling zorgt ervoor dat je kind patronen gaat herkennen.
De oefenboeken van oefenboeken.nl kunnen hierbij ondersteunen. Ze geven kinderen structuur, duidelijke opdrachten en de mogelijkheid om stap voor stap te oefenen met taalonderdelen zoals zinsdelen, werkwoorden en grammatica.
Een oefenboek is vooral handig wanneer je merkt dat je kind onzeker wordt bij taalopdrachten. Door rustig thuis te oefenen, krijgt je kind meer grip op de stof en groeit het zelfvertrouwen.
Werkwoordelijk gezegde en voorbereiding op Leerling in Beeld, Cito en IEP
Het werkwoordelijk gezegde kan onderdeel zijn van taal en zinsontleding in de bovenbouw. Kinderen moeten bij opdrachten soms laten zien dat ze werkwoorden, zinsdelen en verbanden in een zin begrijpen.
Bij toetsen zoals Leerling in Beeld, Cito en IEP kan taalvaardigheid op verschillende manieren terugkomen. Niet elke toets vraagt letterlijk naar het werkwoordelijk gezegde, maar kennis van zinsbouw en grammatica helpt kinderen wel om taalopdrachten beter te begrijpen.
Gratis werkbladen en oefenboeken kunnen daarom een fijne ondersteuning zijn bij de voorbereiding. Ze helpen kinderen om lastige onderdelen rustig te herhalen, waardoor ze met meer vertrouwen aan taalopdrachten beginnen.