Lengtemaat is een onderwerp dat kinderen op de basisschool stap voor stap leren. Eerst gaat het vooral om begrijpen wat langer, korter, hoger of lager is. Later leren kinderen werken met centimeters, meters, kilometers en het omrekenen van de ene lengtemaat naar de andere.
Voor veel ouders is dit een onderwerp waarbij ze merken dat hun kind soms in de war raakt. Vooral bij het omrekenen van lengtematen kan één stapje verkeerd al zorgen voor een fout antwoord. Gelukkig kun je lengtematen thuis heel goed oefenen met duidelijke uitleg, herkenbare voorbeelden en korte oefenmomenten.
In dit artikel lees je wat een lengtemaat is, welke lengtematen je kind op de basisschool leert en hoe je je kind kunt helpen met meten, vergelijken, omrekenen en verhaalsommen.

Wat is een lengtemaat?
Een lengtemaat is een maat waarmee je aangeeft hoe lang, breed, hoog of diep iets is. Je gebruikt een lengtemaat bijvoorbeeld om te meten hoe lang een potlood is, hoe hoog een kast is of hoe ver het lopen is naar school.
Bekende lengtematen zijn millimeter, centimeter, decimeter, meter en kilometer. Op school leren kinderen dat deze maten bij elkaar horen en dat je ze kunt omrekenen. Zo is 1 meter hetzelfde als 100 centimeter en 1 kilometer hetzelfde als 1000 meter.
Voor kinderen is het belangrijk dat ze niet alleen het rijtje uit hun hoofd leren, maar ook begrijpen wat de maten ongeveer betekenen. Een centimeter is klein, een meter is ongeveer de lengte van een grote stap en een kilometer is een flinke afstand.
Welke lengtematen leert je kind op de basisschool?
Kinderen leren lengtematen niet allemaal tegelijk. In de onderbouw begint meten vaak heel praktisch. Kinderen vergelijken voorwerpen en gebruiken woorden als langer, korter, groter, kleiner, hoger en lager.
Later leren ze meten met een liniaal, meetlint of rolmaat. Dan komen centimeters en meters steeds vaker terug. In de bovenbouw wordt het rekenen met lengtematen moeilijker, omdat kinderen dan ook moeten omrekenen en lengtematen in verhaalsommen moeten gebruiken.
De belangrijkste lengtematen die je kind op de basisschool tegenkomt zijn:
- millimeter
- centimeter
- decimeter
- meter
- kilometer
Soms komen ook afkortingen voor, zoals mm, cm, dm, m en km. Juist die afkortingen zorgen soms voor verwarring, omdat kinderen snel over een klein verschil heen lezen.
Lengtematen in de onderbouw, middenbouw en bovenbouw
In de onderbouw leren kinderen vooral vergelijken en ervaren. Ze kijken welk voorwerp langer is, welke toren hoger is of welke route korter lijkt. Dit vormt de basis voor maatbegrip.
In de middenbouw leren kinderen steeds vaker meten met echte meetinstrumenten. Ze werken bijvoorbeeld met centimeters en meters en leren eenvoudige lengtes vergelijken. Ook maken ze kennis met het idee dat je een lengte op verschillende manieren kunt opschrijven.
In de bovenbouw komt het metriek stelsel duidelijker terug. Kinderen leren lengtematen omrekenen, rekenen met komma’s en verhaalsommen oplossen waarin lengte, afstand, hoogte of breedte een rol speelt.

Lengtematen omrekenen: hoe werkt dat?
Lengtematen omrekenen betekent dat je dezelfde lengte in een andere maat schrijft. Bijvoorbeeld van meter naar centimeter, of van kilometer naar meter. Dit is een belangrijk onderdeel van rekenen op de basisschool.
Een eenvoudig voorbeeld is:
1 meter = 100 centimeter
2 meter = 200 centimeter
5 meter = 500 centimeter
Andersom kan ook:
100 centimeter = 1 meter
250 centimeter = 2,5 meter
1000 meter = 1 kilometer
Kinderen moeten hierbij goed opletten welke kant ze op rekenen. Gaan ze van een grote maat naar een kleinere maat, dan wordt het getal groter. Gaan ze van een kleine maat naar een grotere maat, dan wordt het getal kleiner.
Dat klinkt logisch, maar voor kinderen is dit vaak precies waar het misgaat. Daarom helpt het om veel te oefenen met duidelijke voorbeelden en niet te snel meerdere soorten lengtematen door elkaar te gebruiken.
De metrieke trap gebruiken
De metrieke trap helpt kinderen om lengtematen stap voor stap om te rekenen. In deze trap staan de lengtematen in volgorde. Bij elke stap naar rechts vermenigvuldig je met 10. Bij elke stap naar links deel je door 10.
De volgorde is:
km – hm – dam – m – dm – cm – mm
Voor basisschoolkinderen zijn vooral kilometer, meter, centimeter en millimeter belangrijk. Toch helpt het om de hele trap te kennen, omdat kinderen dan beter zien hoe de maten met elkaar samenhangen.
Een kind dat bijvoorbeeld van meter naar centimeter rekent, gaat twee stappen naar rechts. Dat betekent: keer 10 en nog een keer keer 10. Samen is dat keer 100.
Dus:
3 meter = 300 centimeter
Gaat je kind van centimeter naar meter, dan gebeurt het omgekeerde. Dan gaat het twee stappen naar links en deel je dus door 100.
Dus:
450 centimeter = 4,5 meter
Lengtes vergelijken en meten in de praktijk
Lengtematen worden makkelijker als kinderen ze kunnen koppelen aan echte voorwerpen. Laat je kind bijvoorbeeld de lengte van een tafel meten, de hoogte van een deur of de breedte van een boek. Zo wordt meten minder abstract.
Ook vergelijken helpt veel. Vraag bijvoorbeeld: wat is langer, een potlood of een schooltas? Wat is hoger, de stoel of de tafel? En hoeveel centimeter scheelt dat ongeveer?
Door dit soort vragen leert je kind niet alleen meten, maar ook nadenken over lengte. Dat maatbegrip is belangrijk, omdat kinderen bij verhaalsommen vaak eerst moeten inschatten welke maat logisch is.
Een route naar school meet je bijvoorbeeld niet in centimeters, maar in meters of kilometers. De dikte van een gum meet je juist eerder in millimeters of centimeters.
Lengtemaat berekenen in verhaalsommen
Lengtematen komen vaak terug in verhaalsommen. Je kind moet dan niet alleen een losse som maken, maar eerst begrijpen wat er wordt gevraagd. Dat maakt het onderwerp soms lastiger.
Een voorbeeld:
Lisa heeft een lint van 2 meter. Ze knipt er 75 centimeter af. Hoeveel centimeter lint blijft er over?
Bij deze som moet je kind eerst zien dat 2 meter moet worden omgerekend naar 200 centimeter. Daarna kan het rekenen: 200 – 75 = 125 centimeter.
Verhaalsommen met lengtematen gaan vaak over routes, afstanden, hoogtes, touwen, planken, linten, kamers of sportvelden. Daardoor zijn ze heel geschikt om thuis met echte voorbeelden te oefenen.
Laat je kind bij zo’n som steeds rustig werken in stappen:
- Wat weet ik?
- Welke lengtematen staan in de som?
- Moet ik eerst omrekenen?
- Welke bewerking hoort erbij?
- In welke maat moet het antwoord staan?
Door deze aanpak leert je kind niet alleen rekenen met lengtematen, maar ook beter nadenken over de vraag.
Zo help je je kind thuis met lengtematen
Je kunt je kind thuis op een eenvoudige manier helpen met lengtematen. Begin vooral met echte situaties. Meet samen een tafel, een boek, een deur of de lengte van een kamer.
Laat je kind daarna schatten voordat jullie meten. Vraag bijvoorbeeld: denk je dat dit meer of minder dan 1 meter is? Zo leert je kind beter inschatten welke lengtemaat logisch is.
Bij omrekenen helpt het om rustig te werken met de metrieke trap. Laat je kind hardop zeggen welke stappen het maakt. Van meter naar centimeter is twee stappen naar rechts, dus keer 100.
Oefen liever kort en regelmatig dan lang en moeizaam. Als je kind merkt dat het steeds iets beter gaat, groeit het zelfvertrouwen vanzelf. Gebruik fouten daarbij niet als probleem, maar als kans om samen te ontdekken waar het misging.

Veelgemaakte fouten bij lengtematen
Veel kinderen maken vergelijkbare fouten bij lengtematen. Dat is normaal, want ze moeten tegelijk letten op de maat, het getal, de komma en de vraag in de som.
Een veelvoorkomende fout is dat kinderen meter en centimeter door elkaar halen. Ze schrijven bijvoorbeeld 1 meter op als 10 centimeter in plaats van 100 centimeter. Vaak komt dit doordat ze één stap in de metrieke trap vergeten.
Ook de komma zorgt regelmatig voor verwarring. Bij 250 centimeter naar meter moet je kind goed weten dat dit 2,5 meter wordt. Als het kind te snel rekent, kan er 25 meter of 0,25 meter uitkomen.
Daarnaast lezen kinderen soms niet goed welke eenheid gevraagd wordt. In de som staat dan bijvoorbeeld een lengte in centimeters, maar het antwoord moet in meters worden gegeven. Het helpt om je kind te leren eerst de vraag te onderstrepen of hardop te zeggen: “In welke maat moet mijn antwoord staan?”
Een andere fout is het verwarren van lengtematen met oppervlakte of inhoud. Lengte gaat over één richting, zoals lang, breed of hoog. Oppervlakte gaat over een vlak, zoals een vloer of tafelblad. Inhoud gaat over hoeveel ergens in past, zoals water in een fles.
Lengtematen oefenen met gratis werkbladen
Gratis werkbladen kunnen goed helpen om lengtematen rustig en gericht te oefenen. Vooral als je kind moeite heeft met één onderdeel, zoals omrekenen van meter naar centimeter of het vergelijken van lengtes, is een kort oefenblad vaak overzichtelijk.
Op oefenboeken.nl kun je gratis oefenbladen gebruiken om thuis laagdrempelig te starten. Zo zie je snel welke onderdelen je kind al beheerst en waar nog extra herhaling nodig is.
Het voordeel van werkbladen is dat je één vaardigheid tegelijk kunt oefenen. Vandaag bijvoorbeeld lengtes vergelijken, morgen omrekenen met centimeters en meters, en later verhaalsommen met lengtematen. Daardoor blijft oefenen behapbaar en voorkom je dat je kind overspoeld raakt.
Korte oefenmomenten werken vaak beter dan lang achter elkaar oefenen. Tien minuten geconcentreerd oefenen kan al genoeg zijn om meer grip te krijgen op lengtematen.
Download nu onze Gratis werkbladen Rekenen
Meer dan 100.000 ouders oefenen al met ons materiaal en zagen hun kind groeien in zekerheid, tempo en resultaat. Vul hieronder je gegevens in en ontvang de oefenbladen direct als PDF in je mailbox.
Structureel oefenen met lengtematen in een oefenboek
Als je merkt dat je kind vaker vastloopt bij lengtematen, kan een oefenboek helpen om gestructureerd te oefenen. Een oefenboek biedt meer opbouw dan losse opdrachten en zorgt voor regelmatige herhaling.
Dat is vooral handig bij onderdelen zoals lengtemaat omrekenen, werken met de metrieke trap en verhaalsommen met meten. Kinderen krijgen dan niet één keer uitleg, maar oefenen dezelfde vaardigheid in verschillende vormen.
De oefenboeken van oefenboeken.nl sluiten aan bij wat kinderen op de basisschool leren. Ze zijn bedoeld om thuis rustig extra te oefenen, zonder dat het meteen voelt als een zware toets. Zo kan je kind stap voor stap meer vertrouwen krijgen in rekenen met lengtematen.
Voor ouders geeft een oefenboek ook houvast. Je hoeft niet steeds zelf opdrachten te bedenken en kunt makkelijker volgen welke onderdelen goed gaan en welke nog aandacht nodig hebben.
Lengtematen en voorbereiding op Leerling in Beeld, Cito en IEP
Lengtematen kunnen terugkomen in rekentoetsen zoals Leerling in Beeld, Cito en IEP. Meestal gebeurt dat niet alleen als kale omrekenopgave, maar ook in verhaalsommen. Je kind moet dan begrijpen wat er wordt gevraagd en de juiste lengtemaat gebruiken.
Denk aan opgaven waarbij je kind afstanden moet vergelijken, meters naar centimeters moet omrekenen of moet berekenen hoeveel lengte er overblijft. Ook kan een toets vragen welke maat het meest logisch is bij een bepaalde situatie.
Voorbereiden op dit soort opgaven hoeft niet zwaar te zijn. Door regelmatig kort te oefenen met gratis werkbladen en oefenboeken raakt je kind vertrouwd met de vraagvormen. Dat helpt niet alleen bij de toets, maar ook bij het gewone rekenwerk in de klas.
Het belangrijkste is dat je kind begrijpt wat het doet. Als de basis goed zit, wordt het makkelijker om met vertrouwen aan Leerling in Beeld, Cito of IEP te beginnen.