Samengestelde werkwoorden vervoegen kan voor kinderen best lastig zijn. Ze moeten namelijk niet alleen het werkwoord herkennen, maar ook goed kijken welk deel verandert in de zin. Daardoor ontstaat er snel twijfel bij werkwoordspelling, vooral in de bovenbouw van de basisschool.
Voor ouders is het handig om te weten hoe je dit onderwerp rustig en duidelijk uitlegt. Als je kind begrijpt wat een samengesteld werkwoord is, wordt het makkelijker om het werkwoord goed te vervoegen in de tegenwoordige tijd, verleden tijd en als voltooid deelwoord.
In dit artikel lees je wat samengestelde werkwoorden zijn, hoe je ze herkent en hoe je kind ermee kan oefenen. Ook leggen we uit hoe dit onderwerp past bij taal, spelling en de voorbereiding op toetsen zoals Leerling in Beeld, Cito en IEP.

Wat zijn samengestelde werkwoorden?
Een samengesteld werkwoord is een werkwoord dat uit twee delen bestaat. Vaak is het een gewoon werkwoord met een extra woorddeel ervoor. Denk aan woorden als opbellen, meedoen, terugkomen, voorlezen en uitzoeken.
Het extra woorddeel geeft het werkwoord een iets andere betekenis. Bij bellen gaat het om iemand bellen. Bij opbellen gaat het vaak om iemand telefonisch bereiken. Het werkwoord lijkt dus bekend, maar krijgt door het extra deel een andere of preciezere betekenis.
Voor kinderen is het belangrijk om te begrijpen dat samengestelde werkwoorden iets anders zijn dan samengestelde zelfstandige naamwoorden. Woorden als voetbalveld of boekenkast zijn samengestelde woorden, maar geen samengestelde werkwoorden. Bij samengestelde werkwoorden gaat het altijd om een handeling.
Hoe herken je een samengesteld werkwoord?
Je herkent een samengesteld werkwoord vaak doordat je er een gewoon werkwoord in ziet. In terugkomen zie je bijvoorbeeld komen. In voorlezen zie je lezen. In meedoen zie je doen.
Daarbij staat er nog een extra deel voor het werkwoord. Dat extra deel hoort bij de betekenis van het hele werkwoord. Je kind moet dus leren om niet alleen naar het losse werkwoord te kijken, maar naar de combinatie.
In een zin kan een samengesteld werkwoord soms uit elkaar vallen. Dat maakt het lastiger. Bij het werkwoord opbellen zeg je bijvoorbeeld: ik bel oma op. Het werkwoord staat dan niet meer als één woord in de zin, maar de delen horen nog steeds bij elkaar.

Hoe vervoeg je samengestelde werkwoorden?
Bij samengestelde werkwoorden vervoegen kijkt je kind eerst naar het hele werkwoord. Daarna zoekt het kind welk deel echt vervoegd moet worden. Meestal is dat het werkwoordelijke deel.
Neem het werkwoord terugkomen. In de tegenwoordige tijd krijg je: ik kom terug, jij komt terug, wij komen terug. Het deel terug blijft hetzelfde. Het werkwoord komen verandert.
In de verleden tijd gebeurt hetzelfde. Dan wordt het: ik kwam terug, jij kwam terug, wij kwamen terug. Ook hier verandert komen, terwijl terug hetzelfde blijft.
Bij een voltooid deelwoord moet je kind goed kijken hoe het werkwoord wordt gebruikt. Bij terugkomen zeg je: ik ben teruggekomen. Bij opbellen zeg je: ik heb opgebeld. Dit vraagt vaak extra oefening, omdat kinderen moeten horen en zien welk woorddeel waar komt te staan.
Een handige aanpak is om je kind drie stappen te laten volgen. Eerst zoekt je kind het hele werkwoord. Daarna bepaalt het kind of het werkwoord uit elkaar kan. Tot slot vervoegt het kind het werkwoordelijke deel.
Scheidbare en onscheidbare samengestelde werkwoorden
Sommige samengestelde werkwoorden zijn scheidbaar. Dat betekent dat de twee delen in een zin uit elkaar kunnen staan. Bijvoorbeeld: ik doe mee. Het hele werkwoord is meedoen, maar in de zin staan mee en doe los van elkaar.
Andere samengestelde werkwoorden zijn onscheidbaar. Die blijven meestal bij elkaar staan. Denk aan voorspellen. Je zegt: hij voorspelt regen. Je zegt niet: hij stelt regen voor, want dat betekent iets anders.
Dit verschil is belangrijk bij het vervoegen. Bij een scheidbaar werkwoord verandert meestal het werkwoordelijke deel. Bij opbellen wordt dat bijvoorbeeld: ik bel op, jij belt op, wij belden op.
Samengestelde werkwoorden in groep 6, 7 en 8
Samengestelde werkwoorden komen vooral in de bovenbouw vaker terug. In groep 6 maken kinderen meestal steeds meer kennis met werkwoordspelling en zinsbouw. In groep 7 en 8 wordt verwacht dat ze regels zelfstandiger kunnen toepassen.
Dat betekent niet dat elk kind dit meteen foutloos moet kunnen. Werkwoordspelling vraagt herhaling. Kinderen moeten leren kijken naar onderwerp, persoonsvorm, tijd en betekenis van de zin.
Voor ouders is het goed om te weten dat samengestelde werkwoorden vaak onderdeel zijn van bredere taalvaardigheid. Het gaat dus niet alleen om één regel onthouden. Je kind moet de regel ook kunnen toepassen in verschillende zinnen.
Wanneer je merkt dat je kind vaak twijfelt, is extra oefenen zinvol. Vooral kinderen die moeite hebben met werkwoordspelling kunnen baat hebben bij duidelijke uitleg, veel voorbeelden en korte herhaling.
Voorbeelden van samengestelde werkwoorden in zinnen
Voorbeelden helpen kinderen om samengestelde werkwoorden beter te herkennen. Zeker bij werkwoordspelling is het nuttig om het woord meteen in een zin te zien. Dan begrijpt je kind beter wat er verandert.
Ik bel mijn opa op.
Het hele werkwoord is opbellen. Het deel bel verandert mee met het onderwerp.
Wij doen morgen mee.
Het hele werkwoord is meedoen. In deze zin staan mee en doen uit elkaar.
Zij kwam te laat terug.
Het hele werkwoord is terugkomen. In de verleden tijd verandert komen in kwam.
Hij heeft zijn jas aangetrokken.
Het hele werkwoord is aantrekken. In het voltooid deelwoord wordt dat aangetrokken.
De juf leest het verhaal voor.
Het hele werkwoord is voorlezen. In de zin staan leest en voor uit elkaar.
Door dit soort zinnen samen te bekijken, leert je kind dat het niet alleen om losse woorden gaat. Het gaat vooral om de functie van het werkwoord in de zin.

Veelgemaakte fouten bij samengestelde werkwoorden
Veel kinderen vinden samengestelde werkwoorden lastig omdat de delen soms uit elkaar staan. Ze zien dan wel een werkwoord, maar herkennen niet altijd dat er nog een extra deel bij hoort. Daardoor wordt het hele werkwoord verkeerd begrepen.
Een veelgemaakte fout is dat kinderen alleen het losse werkwoord vervoegen zonder naar de betekenis te kijken. Bij voorlezen kijken ze dan alleen naar lezen, terwijl voor bij het hele werkwoord hoort. Dat kan verwarring geven bij het maken van zinnen.
Ook het voltooid deelwoord zorgt vaak voor fouten. Kinderen twijfelen bijvoorbeeld tussen opgebeld en op gebeld. Het helpt om het hele werkwoord eerst hardop te zeggen en daarna te kijken hoe het in de zin past.
Daarnaast is er vaak twijfel over los of vast schrijven. Bij sommige zinnen staat het samengestelde werkwoord als één woord in de zin. In andere zinnen staan de delen los van elkaar. Dat verschil wordt duidelijker als je kind veel voorbeelden ziet.
Samengestelde werkwoorden oefenen met je kind
Thuis oefenen hoeft niet lang te duren. Een paar korte oefeningen per week kunnen al helpen om samengestelde werkwoorden beter te herkennen. Het belangrijkste is dat je kind rustig leert kijken naar het hele werkwoord.
Je kunt beginnen met eenvoudige zinnen. Laat je kind het werkwoord aanwijzen en vraag daarna wat het hele werkwoord is. Bij de zin “ik bel mijn vriend op” is het hele werkwoord opbellen.
Daarna kun je je kind het werkwoord laten vervoegen. Gebruik eerst de tegenwoordige tijd en daarna de verleden tijd. Als dat goed gaat, kun je het voltooid deelwoord erbij nemen.
Gratis werkbladen zijn hierbij handig. Met taal en spelling werkbladen kan je kind gericht oefenen met werkwoordspelling, zinnen en het herkennen van werkwoorden. Op oefenboeken.nl vind je gratis oefenbladen die ouders kunnen gebruiken om thuis op een laagdrempelige manier te starten.
Het is vooral belangrijk om oefenen klein en overzichtelijk te houden. Tien minuten geconcentreerd oefenen is vaak effectiever dan een lange oefensessie waarin je kind moe of onzeker wordt.
Download nu onze Gratis werkbladen taal & spelling
Meer dan 100.000 ouders oefenen al met ons materiaal en zagen hun kind groeien in zekerheid, tempo en resultaat. Vul hieronder je gegevens in en ontvang de oefenbladen direct als PDF in je mailbox.
Extra oefenen met taal en spelling
Soms is één uitleg of één werkblad genoeg. Maar sommige kinderen hebben meer herhaling nodig om werkwoordspelling echt te begrijpen. Dan kan een gestructureerd oefenboek prettig zijn.
De oefenboeken van oefenboeken.nl helpen kinderen stap voor stap oefenen met taal, spelling en andere basisschoolvaardigheden. Voor ouders is dat handig, omdat de stof overzichtelijk wordt aangeboden en je kind thuis in een rustig tempo kan oefenen.
Bij samengestelde werkwoorden is herhaling belangrijk. Eerst leert je kind het werkwoord herkennen, daarna het juiste deel vervoegen en vervolgens de regel toepassen in zinnen. Door regelmatig kort te oefenen, wordt dit steeds vanzelfsprekender.
Wil je je kind extra ondersteunen bij taal en spelling? Dan kunnen de oefenboeken van oefenboeken.nl een fijne aanvulling zijn op de uitleg en de gratis werkbladen. Zo krijgt je kind meer structuur, meer oefening en meer vertrouwen bij lastige taalonderdelen.
Voorbereiden op Leerling in Beeld, Cito en IEP
Samengestelde werkwoorden worden niet altijd als los onderwerp getoetst. Toch kunnen ze wel terugkomen binnen taal, spelling, werkwoordspelling en zinsbegrip. Daarom is het nuttig dat kinderen dit soort werkwoorden goed leren herkennen.
Bij toetsen zoals Leerling in Beeld, Cito en IEP gaat het vaak om toepassen. Een kind moet niet alleen weten wat een werkwoord is, maar ook begrijpen hoe het woord in een zin wordt gebruikt. Dat vraagt oefening met verschillende soorten zinnen.
Gratis werkbladen en oefenboeken kunnen helpen om die basis rustiger op te bouwen. Door regelmatig met taal en spelling te oefenen, krijgt je kind meer vertrouwen in het herkennen en vervoegen van werkwoorden. Dat kan ook helpen bij toetsmomenten op school.
Het doel is niet om druk op je kind te leggen. Het gaat er vooral om dat je kind met meer zekerheid aan taalopgaven begint.